');

20 juni 2025

Tussen potentieel en prestatie: wat helpt bij onderpresterende hoogbegaafde jongeren?

Tussen potentieel en prestatie: wat helpt bij onderpresterende hoogbegaafde jongeren?

Tussen potentieel en prestatie: wat helpt bij onderpresterende hoogbegaafde jongeren?

Zorgprofessionals die werken met hoogbegaafde adolescenten worden regelmatig geconfronteerd met een paradoxaal beeld: jongeren met een uitzonderlijk intellectueel potentieel die desondanks onder hun niveau presteren op school. Deze jongeren vallen op door lage cijfers, motivatieproblemen of een uitgesproken desinteresse in schoolse activiteiten, ondanks het feit dat ze overduidelijk in staat zijn om complexe informatie te verwerken en abstract te denken. Ouders, leerkrachten en hulpverleners voelen zich vaak machteloos tegenover deze vorm van onderpresteren. De vraag dringt zich op: waar komt dit gedrag vandaan, en hoe kunnen we het als zorgprofessionals effectief benaderen? In dit artikel verkennen we recente wetenschappelijke inzichten en vertalen we deze naar handvatten voor de praktijk.

Wat is onderpresteren eigenlijk?

Onderpresteren wordt doorgaans gedefinieerd als een discrepantie tussen het intellectuele potentieel van een leerling en diens feitelijke schoolprestaties. In het geval van hoogbegaafden gaat het om jongeren met een hoog IQ of duidelijke cognitieve voorsprong die desondanks onderpresteren in vergelijking met hun mogelijkheden. Deze kloof kan zich uiten in lage cijfers, beperkte inzet, of een gebrek aan betrokkenheid bij schoolse taken. Het is van belang om onderpresteren niet te verwarren met leerproblemen: bij onderpresteren is het niet het kunnen, maar het doen dat achterblijft.

Onderpresteren is bovendien een fenomeen dat zowel tijdelijk als structureel kan zijn. Sommige jongeren presteren slechts in bepaalde vakken of periodes onder, terwijl anderen gedurende hun hele schoolcarrière kampen met een gebrek aan aansluiting of motivatie. Deze complexiteit maakt het des te belangrijker om onderpresteren niet als een individueel tekort te beschouwen, maar als een dynamisch proces waarin zowel persoonlijke, sociale als onderwijskundige factoren een rol spelen.

Onderpresteren: complex en contextueel

Recente onderzoeken bevestigen dat onderpresteren bij hoogbegaafden zelden één duidelijke oorzaak heeft. Integendeel: het is een samenspel van persoonlijke kenmerken, schoolse contexten en omgevingsinvloeden. Zo benadrukken Rubenstein et al. (2012) het belang van "goal valuation", ofwel de mate waarin leerlingen schooltaken als betekenisvol en de moeite waard ervaren. Jongeren die onvoldoende zin of relevantie zien in het schoolwerk, haken sneller af, zelfs als ze cognitief uitstekend mee kunnen.

Daarbij speelt ook de leeromgeving een rol. Studies tonen aan dat onderpresterende hoogbegaafden zich vaak onvoldoende gezien of begrepen voelen binnen het reguliere onderwijs. Ze missen aansluiting met leeftijdsgenoten, vinden het lesmateriaal saai of herhalend en ervaren een gebrek aan autonomie. Dit kan leiden tot frustratie, terugtrekgedrag of zelfs oppositie. Snyder et al. (2019) wijzen op het belang van interventies die niet alleen het gedrag van de leerling proberen te veranderen, maar ook de context waarin dat gedrag ontstaat. Onderpresteren is met andere woorden geen puur individueel probleem, maar vaak een reactie op een omgeving die onvoldoende uitdaging of erkenning biedt.

Wat werkt? Vier inzichten uit onderzoek

1. Zet in op betekenisvolle taken en autonomie

De studie van Baum et al. (1995) laat overtuigend zien hoe krachtig het effect kan zijn van betekenisvol onderwijs. Zij begeleidden onderpresterende hoogbegaafde jongeren in een zogenoemde Type III Enrichment-interventie, waarbij leerlingen zelf een onderzoeksvraag formuleerden en hier zelfstandig, onder begeleiding, aan werkten. Het resultaat? Bijna 82% van de deelnemers vertoonde significante vooruitgang in motivatie, zelfbeeld en prestaties. Belangrijke succesfactoren waren onder andere de relatie met de begeleider, het gevoel van eigenaarschap over het leerproces en de mogelijkheid om te werken rond een zelfgekozen thema dat aansloot bij hun interesses. Deze bevindingen onderstrepen hoe cruciaal het is om jongeren ruimte te geven voor autonomie en intrinsieke motivatie.

2. Kies interventies op maat

Niet elke onderpresteerder heeft dezelfde behoeften of motivatieproblemen. Rubenstein et al. (2012) ontwikkelden daarom interventies die gericht waren op het specifieke motiverende knelpunt van de leerling, op basis van het Achievement Orientation Model (Siegle et al., 2007). Ze onderzochten drie domeinen: zelfeffectiviteit (geloven dat je het kúnt), doelwaardering (vinden dat het de moeite waard ís), en omgevingsperceptie (denken dat je óók kans maakt). Interventies die aansloten bij de specifieke motivatiebarrière bleken het meest effectief, met name als het ging om het verhogen van de schoolprestaties. Zorgprofessionals doen er dus goed aan om niet één standaardaanpak te gebruiken, maar eerst goed in kaart te brengen welke overtuigingen of ervaringen het onderpresteren in stand houden.

3. Focus niet alleen op cijfers, maar ook op psychosociaal functioneren

In hun grootschalige meta-analyse stellen Steenbergen-Hu et al. (2020) vast dat interventies bij hoogbegaafde onderpresteerders zelden tot spectaculaire stijgingen in schoolresultaten leiden (effectgrootte g = .09, niet significant), maar wél tot significante verbeteringen in psychosociaal functioneren (g = .22). Denk hierbij aan verhoogde motivatie, betere zelfregulatie, meer schoolbetrokkenheid en een positiever zelfbeeld. Dit zijn geen triviale effecten: psychosociaal welzijn is een cruciale voorspeller van duurzame ontwikkeling en latere succeservaringen. Begeleiding die zich richt op emotioneel welbevinden, zelfvertrouwen en motivatie is dus minstens zo belangrijk als het werken aan cijfers of studieresultaten.

4. Begin tijdig, werk systemisch

Verschillende onderzoeken benadrukken het belang van vroege interventie. Hoe langer onderpresteren aanhoudt, hoe sterker het patroon zich verankert in het zelfbeeld en gedrag van de jongere. Interventies zijn dan moeilijker, trager en minder effectief. Snyder et al. (2019) roepen daarom op om niet te wachten tot de bovenbouw van het middelbaar, maar reeds in de onderbouw of zelfs lagere school signalen van motivatieverlies of verveling serieus te nemen. Tegelijkertijd is het van belang dat deze interventies niet alleen de jongere aanspreken, maar ook de schoolcontext meenemen: curriculumaanpassing, leerkrachtattitudes en betrokkenheid van ouders zijn allemaal factoren die het succes van de interventie kunnen versterken of ondermijnen.

Wat betekent dit voor de praktijk?

De implicaties van dit onderzoek voor zorgprofessionals zijn helder en hoopvol. Onderpresteren is geen vaststaand gegeven, maar een proces dat omkeerbaar is mits er voldoende aandacht is voor motivatie, autonomie, relatie en context. Cruciaal hierbij is dat de jongere niet alleen als individu wordt benaderd, maar ook dat de bredere omgeving - school, gezin en vriendenkring - actief betrokken wordt.

Als zorgprofessional kun je jongeren ondersteunen door expliciet ruimte te maken voor gesprekken over betekenis, interesses en zelfbeeld. Een jongere die zich niet verbonden voelt met zijn of haar schoolse taken, zal zich zelden intrinsiek gemotiveerd tonen. Door nieuwsgierig te zijn naar hun passies, interesses en waarden, kunnen begeleiders aanknopingspunten vinden om motivatie opnieuw aan te wakkeren.

Daarnaast is het essentieel om samen te zoeken naar taken of projecten die echt aansluiten bij de interesses van de jongere. Zelfgekozen projecten bieden niet alleen autonomie, maar vergroten ook het gevoel van eigenaarschap en trots. Dit proces vraagt om creativiteit en flexibiliteit van de begeleider, en om de bereidheid om buiten standaard curricula te denken.

Werken aan zelfregulatievaardigheden is eveneens een belangrijk onderdeel van de begeleiding, maar het is cruciaal om hiermee niet te vroeg te beginnen. Vaak wordt er te snel ingezet op studievaardigheden, terwijl jongeren nog vastzitten in een statische mindset of onvoldoende motivatie ervaren doordat ze het schoolwerk als saai of zinloos beleven. Zelfregulatie bouwt op motivatie en een gevoel van persoonlijke betrokkenheid; het ontwikkelen ervan vraagt dus eerst aandacht voor betekenisgeving en het herstellen van motivatie. Pas daarna komt het aanleren van vaardigheden zoals omgaan met uitstelgedrag, faalangst en het stellen van haalbare doelen aan bod. Zelfregulatie ontstaat niet via rigide schema's, maar groeit door bewustwording, het ervaren van kleine successen en door het opdoen van betekenisvolle leerervaringen.

Ook relationele dynamieken verdienen structurele aandacht. Jongeren die zich sociaal geïsoleerd voelen of die thuis onvoldoende ondersteuning ervaren, zullen meer moeite hebben om hun motivatie en inzet te herwinnen. Het is dan ook zinvol om als zorgprofessional niet alleen met de jongere zelf te werken, maar ook met ouders, leraren en andere betrokkenen om de ondersteunende context te versterken.

Tot slot is het van groot belang om het netwerk rond de jongere actief te betrekken bij de begeleiding. Onderpresteren kan vaak pas duurzaam doorbroken worden als er een gedragen plan is waarin zowel school als gezin een rol spelen. Multidisciplinaire samenwerking, regelmatige afstemming en een gezamenlijke focus op groeikansen kunnen hierin het verschil maken.

Een mooi voorbeeld van een succesvolle aanpak gebaseerd op deze inzichten is het programma Wijs op Weg van Hoogbloeier®. Deze interventie sluit aan bij het Pathways to Underachievement Model (PUM; Snyder & Linnenbrink-Garcia, 2013) en biedt jongeren een traject op maat, gericht op hun specifieke motivatieprofiel. Door modules aan te bieden die inspelen op persoonlijke overtuigingen, waarden en toekomstperspectieven, helpt Wijs op Weg jongeren niet alleen om hun motivatie en betrokkenheid te versterken, maar ook om hun authentieke richting in studie en leven terug te vinden.

Conclusie

Onderpresteren bij hoogbegaafde jongeren is geen teken van onwil of luiheid, maar vaak een signaal van mismatch tussen potentieel en context. Als zorgprofessional kun je hierin het verschil maken: door voorbij de cijfers te kijken, het verhaal achter de motivatie te ontrafelen en jongeren opnieuw eigenaar te maken van hun leerproces. De combinatie van verbondenheid, autonomie, betekenis en uitdaging vormt de sleutel tot duurzame verandering.

Heeft u interesse in Wijs op Weg? Neem dan een kijkje op onze webshop voor materialen voor zorgprofessionals.




Referenties

  • Baum, S. M., Renzulli, J. S., & Hébert, T. P. (1999). Reversing underachievement: Creative productivity as a systematic intervention. Gifted Child Quarterly, 39, 224-235.

  • Rubenstein, L. D., Siegle, D., Reis, S. M., McCoach, D. B., & Burton, M. G. (2012). A complex quest: The development and research of underachievement interventions for gifted students. Psychology in the Schools, 49(7), 678-694. https://doi.org/10.1002/pits.21620

  • Siegle, D., McCoach, D. B., & Roberts, A. (2017). Why I believe I achieve determines whether I achieve. High Ability Studies, 28(1), 59-72. https://doi.org/10.1080/13598139.2017.1302873

  • Snyder, K. E., Fong, C. J., Painter, J. K., Pittard, C. M., Barr, S. M., & Patall, E. A. (2019). Interventions for academically underachieving students: A systematic review and meta-analysis. Educational Research Review, 28. https://doi.org/10.1016/j.edurev.2019.100294

  • Snyder, K. E., & Linnenbrink-Garcia, L. (2013). A developmental, person-centered approach to exploring multiple motivational pathways in gifted underachievement. Educational Psychologist, 48(4), 209-228. https://doi.org/10.1080/00461520.2013.835597

  • Steenbergen-Hu, S., Olszewski-Kubilius, P., & Calvert, E. (2020). The effectiveness of current Interventions to reverse the underachievement of gifted students: Findings of a meta-analysis and systematic review. Gifted Child Quarterly, 64(2), 132-165. https://doi.org/10.1177/0016986220908601


Copyright © 2025 Sabine Sypré – Alle rechten voorbehouden. Niets uit dit artikel mag worden verveelvoudigd, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur. Online delen mag mits vermelding van auteur en link naar dit artikel.

keyboard_arrow_up

{{ popup_title }}

{{ popup_close_text }}

x
'; if (cookie == '') { $('[data-cookie-popup]').show(); } else { if (cookie === 'true') { gtag('js', new Date()); if(gtm !== ''){ gtag('config', '', {'page_path': location.pathname + location.search + location.hash}); } else { gtag('config', '', {'page_path': location.pathname + location.search + location.hash}); } } } } function acceptCookies() { setCookie('CookieConsent', true) $('[data-cookie-popup]').slideUp(300); } function declineCookies() { setCookie('CookieConsent', false) } $(document).ready(function () { showCookies(); }); $('[data-cookie-accept-all]').click(function (e) { e.preventDefault(); acceptCookies(); }); $('[data-cookie-edit]').click(function (e) { e.preventDefault(); $('[data-cookie-options]').slideToggle(300); }); $('[data-cookie-save]').click(function (e) { e.preventDefault(); if ($('[data-cookie-tracking-check]').is(":checked")) { acceptCookies(); } else { declineCookies(); } $('[data-cookie-popup]').slideUp(300); });