');

21 november 2025

Hoogbegaafdheid en neurodivergentie: waarom woorden ertoe doen

Hoogbegaafdheid en neurodivergentie: waarom woorden ertoe doen

Hoogbegaafdheid en neurodivergentie: waarom woorden ertoe doen

De term neurodivergentie duikt de laatste jaren steeds vaker op in gesprekken over onderwijs, psychologie en inclusie. Op sociale media, in oudergroepen en zelfs in beleidsnota’s lees je regelmatig zinnen als: “Neurodivergente kinderen – dus met ADHD, autisme, dyslexie óf hoogbegaafdheid.” Maar klopt dat eigenlijk wel? En is het wenselijk om hoogbegaafdheid onder de noemer neurodivergentie te plaatsen?

Bij Hoogbloeier® merken we dat die vraag steeds vaker leeft bij ouders, leerkrachten én professionals. Tegelijkertijd valt op dat de begrippen neurodiversiteit en neurodivergentie vaak door elkaar worden gebruikt, terwijl ze niet hetzelfde betekenen.

  • Het begrip neurodiversiteit is waardevol om verschillen tussen breinen te erkennen, maar dat betekent niet automatisch dat hoogbegaafdheid onder neurodivergentie valt; daar is momenteel onvoldoende neurologisch bewijs voor.

  • Hoogbegaafdheid wordt binnen de wetenschap gezien als een cognitieve variatie op een continuüm, niet als een afwijkend neurotype of stoornis; de verschillen lijken vooral functioneel (anders denken) in plaats van neurologisch afwijkend.

  • Het gebruik van termen als neurodivergent kan onbedoeld leiden tot misverstanden, polarisatie en medicalisering van hoogbegaafdheid; meer nuance voorkomt dat hoogbegaafdheid onterecht in een diagnostisch kader wordt geplaatst.

Even scherp: wat bedoelen we precies?

Om het gesprek zuiver te voeren, is het helpend om eerst de termen kort te verhelderen, in lijn met onder andere de omschrijvingen van Van Dale:

  • Neurodiversiteit verwijst naar de variatie tussen mensen in hoe hun zenuwstelsel en brein functioneren, en hoe ze reageren op prikkels. Het gaat dus over het feit dat er verschillen bestaan tussen breinen in een populatie.

  • Neurodivergent (of iemand met een neurodivergentie) verwijst naar een individu dat afwijkt van de geldende norm uit het oogpunt van sociale en/of cognitieve vaardigheden.

  • Neurotypisch wordt gebruikt als tegenhanger van neurodivergent: iemand die binnen de gangbare sociale en cognitieve normen functioneert - met andere woorden, iemand bij wie geen sprake is van zo’n afwijkend neurologisch of gedragsmatig profiel.


  • Neurodiversiteit = de verscheidenheid aan breinen in de samenleving
  • Neurodivergent = een persoon die merkbaar anders functioneert dan de norm
  • Neurotypisch = een persoon die binnen de gangbare norm functioneert

In de praktijk lopen die termen vaak door elkaar. Mensen zeggen bijvoorbeeld “Ik ben neurodivers.”, terwijl ze eigenlijk bedoelen: “Ik zie mezelf als neurodivergent.” Dat maakt het gesprek er niet altijd helderder op, zeker niet wanneer hoogbegaafdheid in één adem wordt genoemd met ontwikkelings- of leerstoornissen.

In dit artikel willen we daarom ruimte maken voor nuance: recht doen aan de positieve intentie áchter het begrip neurodiversiteit, én tegelijk uitleggen waarom wij hoogbegaafdheid niet vanzelfsprekend onder de paraplu van neurodivergentie plaatsen. Daarbij sluiten we aan bij de kritische reflectie van onder meer bedrijfsarts, psycholoog en hoogbegaafdheidsdeskundige Noks Nauta, die in haar blog “De andere kant van het begrip neurodiversiteit/neurodivergentie” (2025) uitgebreid stilstaat bij de schaduwzijden van deze modewoorden.

Voorzichtig met labels

Hoewel de term neurodivergent ruimte schept voor anders denken en waarnemen, gebruik ik hem persoonlijk liever niet automatisch voor hoogbegaafdheid. De term suggereert immers dat het brein van hoogbegaafde mensen biologisch of neurologisch fundamenteel anders zou functioneren dan dat van ‘neurotypische’ mensen. En daarvoor is op dit moment nog onvoldoende overtuigend bewijs.

Er bestaan wel aanwijzingen dat het hoogbegaafde brein op bepaalde punten afwijkt - denk aan meer verbindingen tussen hersengebieden of een tragere rijping van de prefrontale cortex (Shaw et al., 2006) - maar de resultaten van neurobiologisch onderzoek zijn voorlopig te beperkt en niet consistent genoeg om te spreken van een aparte neurocategorie.

Ook binnen het intelligentieonderzoek wordt hoogbegaafdheid doorgaans niet als kwalitatief anders beschouwd dan gemiddelde begaafdheid, maar als een plaats op een continuüm (Verschueren et al., 2021). Dat maakt het moeilijk om te spreken van een ander neurotype.

Noks Nauta wijst in haar blog bovendien op een belangrijk misverstand: het voorvoegsel “neuro-” wekt al snel de indruk dat er iets objectief aantoonbaars in de hersenen is vastgesteld, terwijl de meeste classificaties die nu onder neurodiversiteit vallen (zoals ADHD of ASS) nog steeds hoofdzakelijk via gedrag en vragenlijsten worden vastgesteld.

Geen “neurotypisch brein” als norm

Het idee van een “neurotypisch brein” geeft vaak een vals beeld van een norm waartegen iedereen zou moeten worden afgemeten. In werkelijkheid heeft ieder brein een uniek profiel, met sterke en zwakkere kanten die niet netjes in een standaardmal passen. Als we neurodiversiteit zien als uitgangspunt in plaats van uitzondering, hoeven we niet langer te doen alsof er één juiste manier van denken, leren of voelen bestaat. Dat vinden wij een waardevolle beweging.

Maar precies daarom is het belangrijk om scherp te blijven op woorden. Wanneer “neurotypisch” de impliciete norm wordt, kan “neurodivergent” ongemerkt de categorie worden van wie afwijkt, terwijl we net proberen af te stappen van dat soort indelingen.

Door diversiteit van breinen te erkennen zonder er meteen een medische diagnose aan te koppelen, kunnen we bruggen slaan tussen mensen met en zonder label. Zo creëren we meer begrip voor de enorme variatie in hoe we denken, voelen en waarnemen en erkennen we dat ook hoogbegaafdheid daarin een plaats heeft, zonder dat het daarom een stoornis hoeft te zijn.

De valkuil van wij-zij-denken

Bovendien merk ik dat het gebruik van de term neurodivergent soms onbedoeld een vorm van wij-zij-denken in de hand werkt. Alsof je “niet helemaal bij de groep hoort” als je niet neurologisch afwijkt. En hoewel ik de intentie achter het begrip snap, namelijk erkenning, ruimte maken voor verschil en wijzen op behoeften, vind ik het jammer als het bijdraagt aan verdere polarisatie in plaats van verbinding.

Bovendien benoemt Noks Nauta in haar blog dat het begrip neurodivergentie inmiddels een soort containerbegrip dreigt te worden: onder één paraplu vallen dan zowel ernstige ontwikkelingsstoornissen als relatief milde kwetsbaarheden, hoogsensitiviteit, dyslexie én hoogbegaafdheid. Dat lijkt op het eerste gezicht verbindend, maar vervaagt ook belangrijke verschillen. Zo ontstaat ook het risico dat de ernst van sommige aandoeningen wordt onderschat - “die andere neurodivergenten functioneren toch ook prima?” - terwijl hoogbegaafdheid juist het omgekeerde lot treft en onterecht wordt gepathologiseerd, alsof het per definitie iets medisch afwijkends zou zijn.

Wat zegt de wetenschap wél?

Ja, het klopt dat hoogbegaafde mensen vaak anders denken, voelen en waarnemen dan de meerderheid. Ze verwerken informatie sneller of diepgaander en leggen razendsnel verbanden (Kettler, 2014), kunnen soms intens reageren op onrecht of incongruentie, en hebben soms een rijke innerlijke belevingswereld (Piechowski & Wells, 2021).

Maar dat betekent niet automatisch dat hun brein structureel anders werkt in de zin van een neurologische stoornis. De verschillen lijken eerder voort te komen uit cognitieve sterkte zoals een hoge verwerkingssnelheid en sterk abstractievermogen, gecombineerd met intensiteit en complexiteit in denken, en een uitgesproken alertheid voor context en nuance. Met andere woorden: het gaat om functionele verschillen, geen neurologische afwijkingen.

Dat sluit aan bij wat Nauta beschrijft: hoogbegaafdheid komt uit een ander denkkader (dat van de cognitieve psychologie en het intelligentieonderzoek) dan de termen uit de DSM, die stoornissen beschrijven. Die twee werelden zomaar in één begrippentas stoppen, schept meer verwarring dan helderheid. 

Omdat het brein van hoogbegaafden voor zover we nu weten niet wezenlijk anders lijkt te functioneren - of dit in elk geval nog onvoldoende is aangetoond - blijft signalering vooral gestoeld op gedrag en ontwikkelingsvoorsprong, op cognitieve leerkenmerken en op de manier waarop een kind of volwassene zich verhoudt tot zijn omgeving, niet op hersenscans of neurologische labels.

Misschien biedt toekomstig onderzoek ooit meer houvast, maar voorlopig blijft dit terrein nog volop in ontwikkeling. Tot die tijd kiezen wij bewust voor voorzichtigheid in terminologie en voor helderheid: hoogbegaafdheid is geen diagnose, maar een beschrijvende term voor een cognitief profiel.

Hoogbegaafdheid: geen stoornis, wel een uitnodiging

De toenemende “neurodiversiteitsbril” heeft één groot risico: dat hoogbegaafdheid te snel wordt gepathologiseerd. Alsof het automatisch samengaat met problemen of disfunctioneren. Natuurlijk kunnen begaafde personen kwetsbaarheden vertonen zoals perfectionisme, faalangst, intense emoties, motivatieproblemen enzovoort, maar dat betekent niet dat hoogbegaafdheid zelf een stoornis is.

Hoogbegaafdheid is eerder een uitnodiging:

  • om genuanceerd te kijken naar leren en motivatie,

  • om systemen te bouwen die ruimte laten voor verschil,

  • om de rijkdom van divers denken te waarderen, inclusief de scherpe randjes.

Hoogbegaafdheid en neurodivergentie hebben raakvlakken: beide wijzen op cognitieve diversiteit en de nood aan maatwerk. Maar ze zijn niet hetzelfde.

Hoogbegaafdheid verdient een eigen, genuanceerde plaats binnen het bredere denken over menselijke verschillen. Niet om afstand te creëren, maar om beter te begrijpen hoe divers talent zich kan uiten, in al zijn intensiteit, creativiteit en complexiteit.

Is hoogbegaafdheid hetzelfde als neurodivergent zijn?

Nee. Hoewel hoogbegaafde mensen vaak anders denken, sneller verbanden leggen en intens ervaren, bestaat er momenteel geen overtuigend neurologisch bewijs dat hun brein fundamenteel anders functioneert zoals bij neurodivergente aandoeningen (bv. ADHD, ASS). Hoogbegaafdheid wordt wetenschappelijk gezien als een cognitieve variatie, niet als een neurotype.


Waarom gebruiken sommige mensen toch de term neurodivergent voor hoogbegaafdheid?

Dat gebeurt vaak vanuit een positieve intentie: erkenning, ruimte voor verschil en inclusie. Maar het begrip wordt dan breder gebruikt dan strikt wetenschappelijk klopt. Het risico is dat hoogbegaafdheid onbedoeld wordt gepathologiseerd of op één hoop wordt gegooid met stoornissen, waardoor belangrijke nuances verloren gaan.


Wat is een betere manier om naar hoogbegaafdheid te kijken?

Als een cognitief profiel met specifieke sterktes én uitdagingen dat vraagt om maatwerk, maar dat geen stoornis is. Hoogbegaafdheid verdient een plek binnen het bredere denken over menselijke diversiteit, zonder het te reduceren tot een medisch label. Het is een uitnodiging om anders denken te waarderen en systemen zo in te richten dat ook cognitief sterke kinderen kunnen floreren.



Referenties

  • Kettler, T. (2014). Critical thinking skills among elementary school students: Comparing identified gifted and general education student performance. Gifted Child Quarterly, 58(2), 127–136. https://doi.org/10.1177/0016986214522508

  • Nauta, N. (2025). De andere kant van het begrip neurodiversiteit/neurodivergentie, persoonlijk blog, januari 2025. https://noksnauta.wordpress.com/2025/01/05/de-andere-kant-van-het-begrip-neurodiversiteit-neurodivergentie/

  • Piechowski, M. M., & Wells, C. (2021). Reexamining overexcitability: A framework for understanding intense experience. In T. L. Cross & J. Riedl Cross (Eds.), Handbook for counselors serving students with gifts and talents (pp. 865). Routledge. https://doi.org/10.4324/9781003235415

  • Shaw, P., Greenstein, D., Lerch, J., Clasen, L., Lenroot, R., Gogtay, N., Evans, A., Rapoport, J., & Giedd, J. (2006). Intellectual ability and cortical development in children and adolescents. Nature, 440(7084), 676–679. https://doi.org/10.1038/nature04513

  • Verschueren, K., Lavrijsen, J., Sypré, S., Struyf, E., Vansteenkiste, M., Soenens, B., & Donche, V. (2021). Cognitieve begaafdheid en talentontwikkeling: een hedendaagse visie. In K. Verschueren, S. Sypré, E. Struyf, J. Lavrijsen, & M. Vansteenkiste (Eds.), Ontwikkelen van cognitief talent. Handboek voor onderwijsprofessionals. Acco.


Copyright © 2025 Dr. Sabine Sypré – Alle rechten voorbehouden. Niets uit dit artikel mag worden verveelvoudigd, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur. Online delen mag mits vermelding van auteur en link naar dit artikel.

keyboard_arrow_up

{{ popup_title }}

{{ popup_close_text }}

x
'; if (cookie == '') { $('[data-cookie-popup]').show(); } else { if (cookie === 'true') { gtag('js', new Date()); if(gtm !== ''){ gtag('config', '', {'page_path': location.pathname + location.search + location.hash}); } else { gtag('config', '', {'page_path': location.pathname + location.search + location.hash}); } } } } function acceptCookies() { setCookie('CookieConsent', true) $('[data-cookie-popup]').slideUp(300); } function declineCookies() { setCookie('CookieConsent', false) } $(document).ready(function () { showCookies(); }); $('[data-cookie-accept-all]').click(function (e) { e.preventDefault(); acceptCookies(); }); $('[data-cookie-edit]').click(function (e) { e.preventDefault(); $('[data-cookie-options]').slideToggle(300); }); $('[data-cookie-save]').click(function (e) { e.preventDefault(); if ($('[data-cookie-tracking-check]').is(":checked")) { acceptCookies(); } else { declineCookies(); } $('[data-cookie-popup]').slideUp(300); });